Archief voor januari, 2010

De nepsneeuw van de wietteler

30 jan 2010

Met dit weertype heb ik altijd een beetje leedvermaak om mensen die een wietplantage hebben. Als er verse sneeuw ligt op de daken, dan gaat de politie op onderzoek uit naar de schuurtjes en zolders waarop de sneeuw geen schijn van kans heeft om te blijven liggen. Onder die daken hangen namelijk 400 watts lampen het licht en de warmte te genereren die nodig zijn voor het houden van de cannabis sativa hollandica, oftewel: Nederwiet.

Er valt anders nooit veel sneeuw in ons land, maar dit jaar is het raak. Dat kan de wietindustrie de kop kosten. Maar het zijn ongetwijfeld de handige jongens die overleven; die mannen die hun stroom aftappen van het gemeentenet, zodat het topgebruik op hun adres niet opvalt; de bollebozen die LED-verlichting gebruiken en daarmee extra groen bezig zijn; de creatievelingen die de professionele luchtafvoer hebben vermomt als geïmproviseerde boomhut, die bovenop het platte dak van de schuur is gebouwd, onder het motto: leuk voor de kindjes.

In gedachten zie ik ze de wekker zetten in een nacht waarin sneeuw kan vallen, om bij het neerdwarrelen van de eerste vlokjes chagrijnig hun jas en laarzen aan te trekken, zodat ze vervolgens de witte nepsneeuwlakens van de Xenos uit kunnen gaan rollen op het dak waaronder de wietplantage schuilt. Ze zetten het doek goed vast met een nietpistool en veranderen daarbij zelf langzaam in een sneeuwpop, totdat ze klaar zijn en weer terug naar bed kunnen in het licht van de allereerste zonnestralen.

Als ze pech hebben gaat het meteen weer dooien. De politie kan beter ook zoeken naar daken waarop nog sneeuw ligt, terwijl overal het witte laken verdwenen is. Misschien dat ze er dan één vloekend bovenop een dak aantreffen, zo’n wietteler die met veel moeite de nietjes uit zijn dak peutert met schroevendraaier en nijptang. Dat ze vragen: “Meneer, waar bent u mee bezig?” En dat zo’n jongen dan moet uitleggen dat hij bezig is zijn kerstversiering op te ruimen, in februari.

En daarmee heb ik nog een argument voor een verbod op het laten hangen van kerstversiering na veertien januari.

De competenties van Willem de Zwijger

28 jan 2010

Twee jaar geleden zocht ik een baan dichter bij huis. Ik was het treinen beu, want zeg nou zelf: de NS staat tot professionele openbaar vervoersmaatschappijen uit het buitenland zoals Jan Peter Balkenende staat tot President Obama (zo’n beetje alsof er een ober naast hem staat). Niet dat ik het de NS erg kwalijk kan nemen, want in een land met zoveel stations, een idiote hoeveelheid treintjes en een beperkt aantal sporen, vind ik het al een hele prestatie dat die gele roetsjworsten vrijwel nooit bovenop elkaar botsen. Maar ik droomde dus van een baan op fietsafstand en begon te zoeken.

Binnen twee maanden zat ik aan een glimmende, zwarte tafel, met tegenover mij drie mannen. De meest spraakzame van het drietal was de baas: Willem Zwijgers. De gehele week voorafgaande aan het gesprek had ik hem Willem de Zwijger genoemd en ik was als de dood dat me dat zou gebeuren tijdens het gesprek. Echter, ik kwam bijna niet aan het woord. De goede man legde uit dat ze slechts twee kandidaten hadden uitgenodigd voor een gesprek en dat ik verreweg de beste was (vreugdemomentje). Ik leunde achterover in mijn stoel. Fout, leun nooit achterover in een stoel tijdens een sollicitatiegesprek: neem altijd een actieve houding aan.

Ineens gaf hij mij een linkse met de vraag: wat zijn de competenties waarin je uitblinkt? “Eh,” stotterde ik en meer kwam er even niet meer uit. Dat komt omdat ik een ongelooflijke hekel heb aan de term competenties in de vorm zoals die wordt gehanteerd door kantoorvolk. In de hogere competentieleer moet je namelijk dingen die ik vrij lastig te omschrijven vind samenvatten in één enkel woord en daar ben ik op tegen. Neem nou: omgevingsbewustzijn, de spellingcontrole keurt het goed, maar ik vind het vaag taalgebruik. Wat willen ze van je, dat je een kamer binnenloopt en meteen ziet dat er een schilderijtje scheef hangt?

Vasthoudendheid, nog zo’n term. De baas vindt het misschien best leuk dat jij je als een teckel die zich een pitbull voelt vastbijt in een probleem, maar waarschijnlijk waardeert hij het heel wat minder als je jouw geslepen tanden in zijn broekspijp zet omdat je een salarisverhoging eist. Wat willen ze van je horen? Dat is belangrijk om te weten, want je wilt die baan. Raden wat ze willen horen staat te boek als inter-persoonlijke sensitiviteit, maar je kunt die term ook uitleggen als gebrek aan integriteit, want je praat gewoon in hun straatje en dat is dan wel een goede competentie voor een verkoper van automobielen, maar niet voor kantoorpersoneel.

Willem begon mij uit te leggen wat ze bedoelden met competenties. Op zo’n moment zeg je niet: “Dat weet ik wel, maak je achternaam eens waar en sluit die klep eens even.” Uiteindelijk wist ik de term klantvriendelijk te opperen. Het maakte niet veel indruk, maar dat maakte niet uit, want het gesprek was al klaar. Willem gaf me alvast een rondleiding, waarbij hij me aan diverse mensen voorstelde. Hij zei me dat hij mij die middag zou laten weten dat ze mij wilden hebben voor die baan. In het voorbijgaan zag ik de tweede sollicitant zitten. Ik grijnsde mijn meest kwaadaardige glimlach en stapte een moment later de voordeur uit.

Die middag belde Willem Zwijgers met de mededeling dat ze de baan aan die andere sollicitant gingen geven. Hij was tijdens het gesprek beter uit de verf gekomen dan ik.

Discolift

27 jan 2010

Het afgelopen jaar zijn alle kantoorruimten in ons gebouw vernieuwd; er kwam nieuwe tl-verlichting, een nieuw beluchtingssysteem en andere vloerbedekking. Het oude pandje van de Edah werd gehuurd om daar een hele afdeling tijdelijk te huisvesten; met het overige personeel werd geschoven binnen het gebouw.

Er kwam een verhuisbedrijf en dat nam onze lift in beslag. Men timmerde een houten kooi in de liftcabine, om beschadigingen te voorkomen. Al snel werd er met stift geklad en verschenen er flauwe grappen, zoals: “Ik heb deze lift al vaker genomen dan mijn vrouw,” of: “hier is geen stairway to heaven, maar wel een lift naar de hel.”

Het kantoorpersoneel werd verzocht de trap te nemen en dat deden wij gehoorzaam. Heel wat traptreden later nam het verhuisbedrijf zijn bekladde houtplaten weer mee. Wij dachten dat de lift weer van ons was, maar opnieuw mochten we niet instappen. Onze lift kreeg namelijk een make-over en wel een erg foute. Ik weet niet wie van de facilitaire afdeling zo’n liefhebber is van de tachtiger jaren, maar jasses zeg, wat hebben wij nu een lelijke lift.

Zodra de schuifdeuren opengaan zie je de michelangeloblauwe vloer met duizenden glittertjes, waarin het licht schittert dat afkomstig is van een achttal halogeenlampjes. De wandjes zijn in een grijstint die zodanig vloekt met die belachelijke vloer, dat het de kleurenblinde, vrijgezelle veertiger van onze afdeling nog niet is gelukt om iets te dragen dat nog zeerder doet aan de ogen. Dit alles wordt weerspiegeld door een spiegelwand die mij doet denken aan een balletzaal, inclusief barre.

Het ergste is dat ook het besturingssysteem is vernieuwd (lees: vernield). Vanochtend werd ik geramd door de haastige liftdeur, omdat de persoon die voor mij de lift betrad al op een verdiepingstoets had gedrukt. Vervolgens moet je maar afwachten of je ooit je bestemming bereikt. Afgelopen week hebben twee jongens van de schoonmaak vijfenveertig minuten vastgezeten in onze discolift. Ergo: na weken traplopen ben ik eraan gewend geraakt. Ik pak voortaan wel de trap.

DiscoLift

Onze Discolift (helaas zie je glitters niet vanwege de flitser)

Kerstverlichting versus snoeischaar

25 jan 2010

Als ik in februari kerstlampjes zie zitten in coniferen, dan knapt er iets in mij, dan stop ik een snoeischaar in mijn fietstas en gaat de stoere muziek aan op mijn MP4-speler: the Soundtrack of Evil. Vervolgens rijd ik naar het voortuintje waar nutteloos elektriciteit wordt verbruikt. Dan wil ik heel graag afstappen, de tuin binnendringen en het stroomdraad pakken om het door te knippen; maar elke keer rijd ik door.

Bovenaan mijn ranglijst van het schaamteloos laten hangen van kerstversiering staat hotel La Cigogne, het hotel in Rijen met de chique ogende naam op de gevel, dat volledig draait op het huisvesten van Polen. Hier heeft een reusachtige kerstboom één jaar lang voor de voordeur gestaan, inclusief brandende verlichting. Nog even en Rijen had bekend gestaan als het dorp met de eeuwig verlichte kerstboom. Telkens als ik langsreed nam ik mij voor om telefonisch flink mijn beklag te doen. Toch kwam het nooit zover, ondanks mijn ergernis vergeet ik erg snel.

Het is me één keer bijna gelukt om kerstornamenten onschadelijk te maken. Na een avond Carnaval vieren in Made, zagen we tijdens de wandeling naar ons logeeradres, verlichting branden in twee buxusboompjes die op een balkon stonden. Ik haalde twee vrienden over om mij een kontje te geven en ik wist: dit keer gaat het me lukken. Ik was er toeter genoeg voor. Onze eega’s floten naar ons, maar niet om ons aan te moedigen; ze wilden onze aandacht trekken zodat wij de politiewagen zouden zien, die in onze nabijheid tot stilstand was gekomen. Mijn twee handlangers taaiden er tussenuit en ik deed net alsof ik had staan wildplassen, waarvan ik me pas later besefte dat ook dat een strafbaar feit is.

Elk jaar in februari en soms zelfs in maart, komt het er ondanks mijn frustraties uiteindelijk toch niet van: op het punt dat ik de snoeischaar wil hanteren, keert mijn fantasie zich tegen mij. Dan ga ik smoezen verzinnen voor de mensen die hun kerstversiering nog niet hebben opgeruimd: dat hun blinde kind na een in februari geplande operatie weer zal kunnen zien en dat het zich verheugt op het aanschouwen van kerstverlichting; dat er iemand is overleden tijdens de kerst en dat de familie nog niet verder kan, of dat de eigenaar van de voortuin depressief is en dat het enige lichtpuntje in zijn leven deze kerstlampjes zijn. En ik kan het niet: ik kan niet knippen in dat laatste restje geluk.

De man van de bekkens

23 jan 2010

Vooraan op de stoel zit de man van de bekkens. Links van hem zit de percussionist. Ze kunnen het goed vinden met elkaar. Samen met de man die slaat op de grote trom vormen ze het ritmisch gedeelte van de fanfare, oftewel: het dweilorkest. Ze zitten op een verhoging naast het podium waar vandaag enkele tonpraters hun sauwel zullen houden. Samen met het koperwerk dat achter hen staat, zullen zij de pauzes opvullen met wat leuke deuntjes.

De knieën van de man met de bekkens staan ver uit elkaar, dat is voor het uitbuiken. Tussen zijn schoenen in staat zijn eerste pilsje. Hij is er klaar voor, zijn handen zitten al in de zwartleren handschoentjes waaraan de bekkens vastzitten. Ik zie hem voor me als kind, marcherend door de keuken van zijn moeder met in elke hand de deksel van een pan. Het zat er al vroeg in.

Hij heeft altijd al van de fanfare gehouden. Maar de schuiftrompet, daar maakte hij enkel ongelukken mee; na de eerste proeflessen ging de urn met tante Kaat omver. Een drumstel, dat mocht niet want ze bewoonden een rijtjeshuis met agressieve buren. Voor het zwaardere koperwerk ontbrak hem de lucht. Het goede eten van zijn moeder drukte destijds al net iets te zwaar op zijn longen.

Ze spelen een deuntje en hij klapt mee. Af en toe mag hij extra hard, op de juiste momenten. Soms vergist hij zich, dan lacht hij even naar zijn ritmische broeders. Komt door het bier. Ook laat hij af en toe een boer, precies op de maat. Hij spant zich in. Ik zie een zweetrondje verschijnen ter hoogte van zijn navel. Af en toe moet hij bukken omdat hij bij de lage noten bijna wordt geraakt door de schuiftrompet, maar hij heeft er schik in.

Drie uur later, tegen het einde van de avond, zijn er al heel veel glazen pils leeggedronken. De blazers lallen door hun toeters en het klinkt allemaal net iets minder scherp. Maar onze man met de bekkens verbloemt het vals gejank met enkele goedgemikte kletsers, onbevreesd voor scheve noten. Hij houdt de polonaise in gang, want met Carnaval is de klets van de bekkens al muziek genoeg.

Smulnar Jurgen

Jurgen, de man met de bekkens

Running gag

23 jan 2010

Afgelopen week werd ik tijdens het sauwelen (of tonpraten) in Gilze weer eens geconfronteerd met de running gag. Een uitspraak die door de herhaling grappig wordt. Als de komiek begon te stotteren (van de zenuwen, maar wel nep), dan kwam het: veveve..versje…. dussss.. Vooral de dusssss, die deed het ‘m.

Zelf heb ik de running gag ontdekt tijdens de HIT in Gilze. Die afkorting betekend: Hikes, Interessekampen en Trapperskampen. Het is iets van Scouting. Kortom: je loopt een eind met bagage op je rug, zet een tent op, kookt wat, eet het op en amuseert je op één van de kampen. Mij was gevraagd mee te spelen met een toneelstukje. Ik mocht de leider van een stoere bende motorrijders spelen.

Als voorbereiding had ik mijn gezichtsbeharing enkele dagen vrijspel gegeven. Daarnaast had ik wat neptatoeages gekocht, die ik plakte op ongewone plekken, zoals in mijn nek. Lekker ruig, want in het echt doet het zetten van een tatoeage op dun vel hels veel pijn. Het toneelstukje zelf mochten we improviseren. Enkele elementen stonden vast, alles ertussen mochten we terplekke verzinnen.

Voordat we het podium beklommen kwam de leiding naar mij toe, omdat ze nog even wilden benadrukken dat het publiek bestond uit bijna-pubers, dus dat het wel wat ruiger mocht dan dat ik gewend was met de vijf- tot zevenjarige kinderen waar ik doorgaans leiding aan gaf. Mijn spel bracht ik iets intenser, zoals afgesproken, maar och, toen kwam de running gag. Ik had het niet eens door. Ik gooide de tien- tot veertienjarige aanwezigen de term ‘Fucking Shit’ naar hun hoofd. Bij de derde keer dat ik dat riep lagen ze opeens dubbel van het lachen.

Na afloop van het toneelstuk was ik heel tevreden. Er was flink gelachen en daar gaat het me om. Het blije gevoel dat ik had omdat we samen ons publiek hadden vermaakt, viel weg zodra ik de uitdrukking op de smoelen van de kampleiding zag. Er was iets mis, dat was duidelijk van hun gezichten af te lezen. Ze brachten het genuanceerd: het had iets milder gemogen.

De volgende avond mocht ik opnieuw opdraven. Dit keer hield ik mij in, maar mijn publiek stond te joelen. Ze wilden me ‘Fucking Shit’ horen zeggen. Ik kon het niet laten en gooide hem er nog één keer doorheen; okay, misschien twee keer. Na het optreden vluchtte ik naar huis. Ik schoor mijn gezicht en schrobde de neptatoo’s van mijn vel.

Ik denk dat het één week later was dat een jongen mij op de fiets passeerde. Hij riep: ‘Hé, fucking shit!’ naar me en bracht me even van mijn stuk. Ik dacht dat ik werd uitgescholden. Toen hoorde ik hem lachen, inmiddels ver achter mij en wist ik weer waar hij die uitspraak gehoord had. Uit mijn mond. Zijn ouders hadden de gevleugelde uitspraak wellicht al vele malen voorbij horen komen.

Zo is humor, soms is een grap voor sommige mensen als zout in verse wonden.

Een vibrator per e-mail komt nooit aan

23 jan 2010

Ooit was spam de Engelse benaming voor wat wij smac noemen: ingeblikte vleesprut. Tegenwoordig staat spam synoniem voor ongevraagde email. Dat komt door wat automatiseerders met humor, die de sketch van Monty Python over spam kenden. In die sketch wordt het woord spam zo vaak herhaald dat het erg irritant wordt; zie daar de overeenkomst met de ongevraagde e-mails, die wij in onze moerstaal dus eigenlijk smac-mail zouden moeten noemen.

Spam (pardon: Smac) is vervelend, maar nog veel erger is het programma dat de ontvangst van deze berichten moet voorkomen: het spamfilter. Dat stukje software bepaalt of ik een e-mail zal gaan ontvangen of niet. Schunnige grappen die mij in het verleden werden toegestuurd door vrienden en familie, ik krijg ze niet meer. Harry Cock was een goede vriend van mij, totdat hij ineens niets meer van zichzelf liet horen. Ik sprak met andere vrienden over hem, maar niemand kreeg ooit nog een bericht van hem. Blijkt uiteindelijk dat zijn achternaam iets heel schunnigs betekent als je het naar het Engels vertaalt.

Per jaar worden er in Nederland één miljoen vibrators verkocht. Ik zag dat enorme getal en vroeg mij meteen af waarom het er zoveel zijn, gaan ze zo snel kapot, of raken ze kwijt? Worden ze soms niet bezorgd omdat de pakjes worden onderschept door de Explosieven Opruimings Dienst? Dat doen ze wel vaker als er iets zoemt of trilt in een doos. Bellen om te informeren of je vibrator nog komt, zullen vele vrouwen als minder prettig ervaren dan het versturen van een digitaal bericht. Maar als al het mailverkeer aangaande vibrators die hun bestemming niet bereiken  komt vast te zitten in een spamfilter, dan zit er niets anders op dan dat je uiteindelijk toch weer een nieuwe bestelt.

De bedrijven die geld verdienen aan de verkoop van viagra, vibrators en andere seksgerelateerde spullen, worden op deze manier stinkend rijk. Het is waarschijnlijk daarom dat juist deze bedrijven spam versturen, niet zozeer vanwege reclamedoeleinden, maar om iedereen te dwingen een spamfilter te nemen.

Poetsdames met een afstand tot de arbeidsmarkt

21 jan 2010

De mensen die ons kantoor schoonmaken komen van een leerwerkbedrijf waar passend werk wordt gevonden voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Ze werken overdag en scharrelen met hun karretje en poetsdoek tussen het kantoorpersoneel door. Je kunt ze herkennen aan hun korte lengte, het overgewicht waarmee ze allemaal lijken te kampen, het langzame lopen en het praten in een dialect. Ik generaliseer natuurlijk, maar het is opvallend hoeveel medewerkers van de poetsclub voldoen aan dit beeld.

Ze stoppen altijd iemand met een moeilijk karakter bij iemand met een meegaand karakter, dan krijg je vanzelf humor van het type Laurel and Hardy. Ze praten niet op de gangbare, keurige en ietwat afstandelijke kantoormanier, maar mopperen, klagen en zeuren, waarbij ze vooral zichzelf op de borst kloppen als ze na uitgebreide, herhaalde uitleg in staat zijn tot het verwisselen van zeep in de zeepdispenser, of het vervangen van de handdoekenlap in dat apparaat waaruit een lap stof hangt die telkens strak wordt getrokken. Dat laatste gaat overigens vaak mis. Of het doekje dat eruit hangt is te kort, of wordt niet goed strakgetrokken na gebruik, zodat er aan het eind van de werkdag een enorme hoop natte doek op de grond ligt.

Ze hebben niet door dat je kan horen wat ze zeggen door de deur van het toilet heen. Het zit niet lekker als je opmerkingen hoort als: “Die doet er wel lang over,” of: “Het stinkt hier echt wel erg.” Dan maakt het mij niet uit of mijn billen helemaal schoon zijn. Dan wil ik weg, snel handen wassen en de blikken negeren die zoveel zeggen als: “Je kan dan wel heel slim op kantoor weer achter je computer gaan zitten, maar wij weten dat je hebt zitten poepen.”

Het doekje waarmee ze de toiletten hebben schoongemaakt, wordt een halfuur later gebruikt om je bureau mee af te nemen. Ze maken het doekje niet tussendoor schoon, want het is een bijzonder soort wonderdoekje, waarbij dat blijkbaar niet nodig is. Ik houd mijn hart vast als er iemand op de afdeling buikgriepklachten heeft, want de bacteriën worden hier niet weggepoetst, ze worden getransporteerd van bureau naar bureau door een chagrijnige poetsdame, dus ik durf er niet eens iets van te zeggen, want dan krijg ik een snauw.

Onlangs moesten we er één toch verzoeken weg te gaan, want we zaten in een bespreking met een vertrouwelijk karakter. We vroegen haar beleefd of ze onze kamer wilde overslaan, wat ze zonder te morren deed, waarschijnlijk omdat de oppervlakte van de kamer enorm is. Zestien bureaus hoefde ze niet schoon te maken. Ze verliet het kantoor, maar kwam één deur verder weer binnen om ongestoord verder te poetsen, zich totaal niet ervan bewust dat wij met twaalf man vol verbazing naar haar zaten te staren.

Zucht.

En toch zijn ze best grappig. Het is alleen wel wat jammer dat ze dat zelf niet echt door lijken te hebben.

Bezoek aan een kledingzaak

20 jan 2010

Daar staat hij midden in de winkel, te wachten totdat er een klant binnenloopt. Hij heeft net alle spijkerbroeken keurig in een recht stapeltje gelegd, dat oogt lekker professioneel. Er is geen kledingstuk in de winkel aanwezig dat hij niet een keer heeft vastgepakt. Soms steekt hij zijn vinger uit om alle jasjes even te voelen. Daarna trekt hij even aan de labeltjes, zodat ze allemaal keurig naast elkaar bungelen. Dat maakt zijn dag. Dan voelt hij zich helemaal het mannetje in het hart van de kledingzaak. Hij kijkt naar buiten en ziet mannen passeren, soms in kleding uit zijn kledingzaak (nou ja, de kledingzaak is van zijn baas, maar die is er nu toch even niet). Ze lopen in broeken uit de uitverkoop en in jasjes van twee jaar terug. Hij herkent de artikelen allemaal feilloos, dat is handig als er een vaste klant binnenloopt.

Ik ben een vaste klant en ik heb een broek nodig. Ik bezoek deze winkel omdat het me altijd lukt om mijn totale kledingbehoefte te bevredigen met één enkel bezoekje per jaar. De gladjanus heb ik er nog nooit gezien. Hij stapt meteen op me af. “Hallo, leuk dat je er weer bent. Waar kan ik je vandaag mee helpen?” Nou, die kleedkamer daar, die wil ik gaan gebruiken zodadelijk; ga jij die maar even stofzuigen voor me. Nee, dat zeg ik natuurlijk niet, laat ik voorlopig nog even aardig blijven, anders is het ook zo jammer voor het kledingfetisjistje. Ik zeg: “Ik heb een nieuwe broek nodig.” Hij kijkt omlaag. Verdomme, doe dat nou niet. En ja hoor, hij raadt mijn broekmaat. Hij zit er een maat naast; ik ben slanker, maar dat zeg ik niet. Ik wil niet dat hij zodadelijk in mijn bilnaad gaat graaien, op zoek naar het labeltje.

Hij loopt kontschuddend voor me uit, op weg naar de spijkerbroeken. “Deze [merknaam] is leuk en ook dit rechte model van [andere merknaam] doet het erg goed nu. Even kijken of we de [verdorie, wat zijn er toch veel merken] nog in jouw maat hebben.” Ik ben merkblind. Zo’n broek moet passen en er leuk uitzien. Ik kijk vluchtig naar een prijskaartje en schrik. Deze gladjanus probeert me een belachelijk dure broek aan te smeren. Waarom moet een broek honderdtwintig tot honderdvijftig euro kosten? Er zijn genoeg winkels waar ik voor twintig tot vijftig euro een spijkerbroek kan kopen. Dat zijn meestal saaie broeken, of de stof begint al na vijf keer dragen te rafelen; maar moet een goede broek nou echt zo duur zijn? In zo’n dure broek durf ik geen wind te laten; met als gevolg dat ik buikkrampen krijg, dan zit die broek gelijk niet meer lekker en trek ik hem in het vervolg nooit meer aan.

Het kereltje kijkt me verwachtingsvol aan. Hij staat eigenlijk veel te dichtbij. Ik ga er spontaan van zweten en heb moeite met ademhalen, maar dat kan ook komen door het geurtje dat hij heeft opgespoten. Dan komt er gelukkig een nieuwe klant binnen. De kledinghaai overhandigt mij de broeken en snelt zich vol energie in de richting van zijn nieuwe slachtoffer. Haastig hang ik de broeken weer op. Ik manoeuvreer me snel richting uitgang. Hij ziet me gaan. “Bedankt hè,” zeg ik. “Tot de volgende keer,” zegt hij. En ik weet dat hij zal wachten, als een spin midden in zijn web, dag in, dag uit. Maar ik koop voortaan mijn spijkerbroeken mooi bij de Vroom en Dreesman.

Heup aan heup bij de pisbak

19 jan 2010

Ik heb het niet zo op het urinoir, zo’n hangende pot op heuphoogte. Ook al hangt het ding zo hoog, er zitten toch altijd spetters op de rand en het is uitkijken dat je niet met je zaakje in het nat van een ander gaat hangen.

Soms kan het niet anders, dan worden de zitpotten bezet gehouden (in het ergste geval ook nog eens door vrouwen) en moet ik wel naar het pissoir. Het ergste soort is zo’n langgerekte bar die je wel eens in een café ziet. Lekker op een rijtje, heup aan heup. Dan helpt het dat ik bier op heb.

Bij het gangbare urinoir heb je nog ietwat privacy tussen twee van die schaamplaten in, maar ik vraag me toch altijd weer af of er iets te zien is voor de buurman. Je gaat niet testen door zelf te kijken, want dat doe je niet. Je staart star voor je uit. Het helpt als er reclame hangt, zodat je even op andere gedachten wordt gebracht. Maar gewoonlijk zorg je ervoor dat je niet in de buurt van een ander staat. Als er drie potten hangen en iemand staat helemaal links, dan pak je gewoon niet de middelste, zo werkt de herentoiletetiquette.

Soms hangt er zo’n vlieg, zodat je weet waar je moet plassen. Heb je weleens gehoord hoeveel minuscule oogjes zo’n vlieg heeft? Die staren allemaal naar omhoog, in afwachting van die goudgele straal. Geef mij dan maar zo’n sticker waarop een plaatje verschijnt als je raak plast. Het liefst zo’n bullseye, zodat je een one-hundred-and-eighty kan plassen.

En dan de afronding. Ik vind het toch prettiger om die laatste druppel weg te vegen met een papiertje, dan dat ik een plek heb in mijn onderbroek; maar toiletpapier doorspoelen is verboden, want dan raakt dat dunne buisje waardoor de boel wordt afgevoerd verstopt. Soms draag ik wat velletjes toiletpapier op zak, zodat ik toch verzekerd blijf van dat droge gevoel; dan gooi ik ze na gebruik stiekem in een prullenbak.

Maar ik ben het gelukkigst als ik de toiletruimte betreed terwijl er een zitpot beschikbaar is. Dan kan de deur dicht en op slot, en heb ik een klein vreugdemomentje, tenzij het toiletpapier op is.

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.